Een groot deel van wat in mijn moestuin gebeurt komt voort uit eenzelfde gedachte als wat me bij de lokale boer brengt. Allebei gaan ze over voedsel waarvan ik weet waar het vandaan komt, hoe het geteeld is, en welke hand het laatst heeft aangeraakt voordat het in mijn keuken kwam. Dat is voor mij niet een ideologisch standpunt, het is over de jaren gegroeid uit ervaring.

Wat ik onder een korte keten versta

Een korte voedselketen is voor mij elke keten waar tussen de teler en mij maximaal een of twee tussenstappen zitten. De boerderijwinkel om de hoek, de pluktuin bij het dorp, de groenteveldlocatie waar je een aandeel koopt en wekelijks een groentepakket meeneemt, de bakker die zijn graan zelf maalt. Op een Nederlandse schaal is dat ongeveer een straal van vijftien tot dertig kilometer.

Het verschil met een supermarktketen, waar de keten al snel acht tot tien tussenstappen kent, is niet alleen wat er aan transport en koeling gebeurt. Het is ook wat er in die keten aan informatie verloren gaat. Welke teler, welk ras, welke teelmethode, welke arbeidsomstandigheden. Bij de boerderijwinkel weet ik dat. Bij de supermarkt weet ik soms het herkomstland, en dat is meestal het maximum.

Bij Bionext, de koepelorganisatie voor de biologische sector in Nederland, staan goede cijfers over de groei van korte ketens in Nederland. Het is een marktsegment dat over tien jaar gemiddeld zo'n vijf tot acht procent per jaar groeit, weliswaar vanaf een lage basis.

Waarom voor mij persoonlijk

Drie redenen die voor mij doorslaggevend zijn:

Smaak. Tomaten die in mijn pluktuin in september geoogst zijn, hebben een andere smaak dan de tomaten uit de supermarkt in maart. Ik ben geen culinair gespecialiseerd persoon, maar het verschil voel je ook zonder achtergrond. Een ras dat op smaak geteeld is, in een grond die nutrienten doorgegeven heeft, op het moment van rijpheid geoogst, smaakt voller. Niets bijzonders, maar het komt steeds terug.

Seizoen. Ik weet door de korte keten welk gewas wanneer er is, en dat geeft me een mooi ritme door het jaar. Asperges in mei, aardbeien in juni, tomaten in augustus, pompoen in oktober. Op mijn bord weerspiegelt zich het seizoen, en dat is voor mij een waarde op zich. Bij biojournaal.nl staan jaarlijkse overzichten van wat in welk seizoen lokaal beschikbaar is.

Stevige boeren in de buurt. Wat ik bij de boer aanschaf, betaal ik direct aan iemand die daar zijn werk van maakt. Geen tussenmarges, geen retailspecificaties die het ras of de timing dicteren. De boer wordt minder afhankelijk van een paar grote afnemers, en blijft daardoor zelfstandig. Op landschappelijke schaal is dat voor mij belangrijker dan het exact CO2-voetafdruk-getal dat met een korte keten gemoeid is.

Waar ik mezelf niet streng in ben

Ik koop niet alles lokaal. Koffie, cacao, olijfolie, tropische vruchten, dat gaat sowieso niet lokaal in Nederland. Wat ik daarbij wel doe is op herkomst kijken, en zo veel mogelijk biologisch en eerlijk gehandeld kiezen. Geen perfecte oplossing, maar het maakt het verschil minder groot.

Daarnaast ga ik soms toch naar de gewone supermarkt, vooral voor producten die ik in de korte keten niet vind. Brood maak ik bijvoorbeeld zelf en koop ik anders bij een bakker met eigen molen, maar voor crackers, pasta of rijst is dat geen optie. Dan wordt het een tussenoplossing, en ik leg me erbij neer dat ik op die producten minder informatie heb dan op een tomaat van de pluktuin.

Wat ik aan misverstanden tegenkom

Een paar dingen die in gesprekken vaak ter sprake komen:

  • "Lokaal is automatisch duurzamer." Niet altijd. Een lokale teler die kassen verwarmt op gas heeft een hoger energiegebruik dan een open-grond teler in Zuid-Spanje, ook na transport. Dat hoort ergens bij. Bij de korte keten kijk ik daarom niet alleen naar afstand, maar ook naar teeltmethode.
  • "Lokaal is duurder." Soms, niet altijd. Een aandeel in een groentepakket is per kilo vaak goedkoper dan biologische groente uit de supermarkt. Een geslachte kip rechtstreeks van een boer in de regio is duurder per kilo, maar je weet wel waar de kip heeft gestaan.
  • "Voor de gewone consument is dit niet haalbaar." Voor wie elke euro telt is een goed biologische pakket in een groentewinkel inderdaad duur. Maar als je een moestuin hebt waar wat in groeit, en je vult dat aan met seizoensgroenten van de boer, dan kom je in een seizoensritme dat haalbaar is voor brede groepen.

Het CBS publiceert jaarlijks cijfers over consumentenbestedingen aan biologisch voedsel, en wat opvalt is dat het aandeel in supermarkten daalt terwijl het aandeel in korte ketens stijgt. Voor mij is dat geen verrassing.

De plek van eigen moestuin daarin

Mijn moestuin levert misschien tien tot vijftien procent van mijn jaarvoorraad aan groenten. Niet meer. Dat lijkt weinig, maar het zijn juist de soorten waar smaak en versheid het meeste meetellen. Sla, kruiden, peulvruchten, tomaten, pepers. De rest komt voor een groot deel uit de pluktuin, de boerderijwinkel en de markt. Wat resteert vul ik in bij de gewone winkel.

Dat hele samenstel maakt voor mij een voedselsysteem dat werkbaar is en waar ik me bij kan vinden. Geen volle zelfvoorziening, geen volledig lokaal eten, maar wel een groot stuk waar ik op antwoord wat ik eet, hoe het is geteeld en wie het geleverd heeft. Dat is voor mij ondertussen de standaard geworden, en niet het uitzonderlijke.

x Astrid

Voor meer informatie: Bionext (biologische landbouw in Nederland), biojournaal.nl (sectornieuws), CBS (statistieken biologisch voedsel).