Ik tuinier biologisch en dat is geen ideologische keuze, het is ergens onderweg gewoon de logische gebleken. Hoe meer ik in de tuin bezig ben, hoe duidelijker het wordt dat de bodem het werk doet en ik er vooral niet te veel tussen moet komen. Een paar uitgangspunten leveren mij ondertussen jaar in jaar uit een goede oogst op, zonder dat ik aan kunstmest of synthetische bestrijdingsmiddelen toekom.

Geen synthetische bemesting

De grond in mijn moestuin krijgt geen kunstmest. In het voorjaar werk ik een laag eigen compost door de bovenste tien centimeter, en bij hongerige gewassen zoals tomaat of pompoen voeg ik wat extra hennep- of luzernemeel toe. Verder doe ik niets. Mijn ervaring is dat de bodemleven sterker wordt zodra je stopt met snel oplosbare meststoffen erin te brengen. Wormen, schimmels en bodembacterien hebben dan ruimte om te doen waar ze goed in zijn: voedingsstoffen vrijgeven op het tempo dat de plant nodig heeft.

Bij Velt staat goed uitgelegd hoe de bodem als een levend systeem werkt. Niet alle voeding hoeft direct beschikbaar te zijn. Wat trager vrijkomt geeft uiteindelijk gezonder gewas dan een snelle stikstofgift waarvan de helft uitspoelt.

Compost uit eigen keuken

De compostbak en de bokashi-emmer zijn bij mij ongeveer net zo belangrijk als de gieter. Schillen, koffiedrap, theefilters en groentenresten gaan niet bij het gft maar bij de bokashi. Wat daaruit komt verwerk ik in de grond, samen met het bladcompost van de herfst. Op een seizoen levert dat een paar emmers compost per maand op, ruim voldoende voor mijn moestuin van ongeveer veertig vierkante meter.

Het verschil tussen de grond die ik nu heb en de grond in mijn eerste jaar is groot. Toen ik begon was de aarde grijzig en hard, vol klei zonder structuur. Nu valt hij in de hand uiteen in kruimels en ruikt hij naar bosgrond. Dat heeft niets met mijn vingers te maken, dat heeft de compost gedaan.

Gewassen-rotatie

In mijn moestuin heb ik vier vakken die elk jaar van invulling wisselen. Een vak met bladgewas, een met peulvruchten, een met vruchten zoals tomaat en pompoen, en een met wortels en knollen. Ze schuiven elk jaar een plek op. Dat klinkt strenger dan het is, maar het helpt: peulvruchten leggen stikstof vast die het volgende jaar door de bladgewassen wordt gebruikt, en de wortels openen de grond op een manier die de vruchtgewassen erna ten goede komt.

Soms breek ik dat schema, bijvoorbeeld als ik ergens een plek vrij heb voor een spontaan idee. Maar voor de hoofdvakken houd ik me eraan. Het scheelt me ziektedruk, want gewassen uit dezelfde familie krijgen vaak dezelfde plagen als ze jaar op jaar op dezelfde plek staan.

Gezelschapsplanten

Niet alles staat in zijn eigen vak op rij. Ik werk graag met combinaties die elkaar helpen. Tagetes tussen de tomaten houdt nematoden iets meer op afstand. Bonenkruid bij de tuinbonen verlaagt de druk van zwarte bonenluis, of in elk geval is dat mijn indruk over de jaren. Bieslook tussen de wortels lijkt wortelvlieg iets te verwarren, al heb ik dat nooit echt kunnen bewijzen.

Wat ik vooral merk is dat een gemengd vak gezonder oogt dan een monocultuur. Insecten worden minder eenzijdig aangetrokken, en wat de ene plant aan voedingsstoffen laat liggen pikt de andere op. Bij Bionext en Velt staan uitgebreide lijsten van combinaties die werken, en welke je beter niet bij elkaar zet.

Mulchen en niet spitten

Ik spit mijn moestuin niet om. In het najaar krijgt elk vak een laag bladcompost of grasmaaisel, en die laat ik liggen. In het voorjaar trek ik daar de zaadbedden in door. Dat is een aanpak die in de no-dig hoek bekend is, en ik kan voor mijzelf zeggen dat het werkt. De grond houdt zijn structuur, de wormen blijven actief, en ik scheel uren werk in maart.

Mulchen heeft ook een voordeel in de zomer: de bovenste laag droogt minder snel uit, en onkruid krijgt minder licht. Wat erdoor komt trek ik er met de hand uit, en zolang de mulchlaag dik genoeg is gaat dat redelijk soepel.

Wat ik niet doe

Geen slakkenkorrels, geen Round-up, geen biotisch bestrijdingsmiddel uit de tuincentrum-bak. Tegen schimmel werk ik met luchtige plantafstand en ochtendwatering. Tegen plagen met handmatig rapen, een straal water, of het accepteren dat ik dit jaar wat verlies aan een bladluiskolonie. Dat laatste is misschien wel het belangrijkste: ik probeer niet alles te willen redden. Een plant die het niet redt vervang ik, of ik trek de les voor volgend jaar.

Dat is geen rigide aanpak, eerder een houding. De moestuin is geen productiehal en ik geen kweker met een margedoel. Een seizoen waarin de helft van de courgettes door schimmel sneuvelt is jammer, maar geen reden om alles op te tuigen met sproeiers en kunstmest. Volgende keer plant ik ze iets verder uit elkaar en op een windrijker plekje, en dan kijk ik wat dat doet.

Biologisch tuinieren is voor mij geen project, het is een gewone werkwijze geworden. Niet sneller, soms wat lager in opbrengst, maar duurzamer in de breedste zin van het woord. De grond wordt jaarlijks beter, de plagen blijven binnen de perken, en het kost me bijna niets behalve mijn tijd.

x Astrid

Voor meer informatie: Velt (biologische tuinbouw), Bionext (biologische landbouw in Nederland), Milieu Centraal.