Peulvruchten zijn voor mij de belangrijkste familie in de moestuin geworden. Niet zozeer omdat ik er zoveel van eet, hoewel dat ook is gegroeid, maar omdat ze zoveel voor de bodem doen. Een vak waar het ene jaar bonen of erwten stonden, draagt het jaar erna de bladgewassen zonder dat ik bijbemesting nodig heb. Dat principe is bekend, maar het wordt pas concreet als je het in je eigen tuin ziet werken.

Wat ik teel

Vier soorten staan elk jaar terug in mijn moestuin:

  • Tuinbonen, gezaaid in maart of november. November werkt verrassend goed in onze klei, mits de winter niet te streng is. Met een dunne laag stro overleven ze meestal.
  • Snijbonen, vanaf eind mei tegen een staaktent. Ik teel ze graag omdat ze de hele zomer doorgeven. Een rij van zes stokken levert tot oktober elke week een schaal bonen.
  • Sperziebonen, in twee tot drie etappes gezaaid tussen mei en juli, zodat ik niet een keer een berg en daarna niets meer heb.
  • Erwten, zowel suikererwten als peulerwten, gezaaid in maart en april. Ze zijn voor mij wat tomaten voor anderen zijn: het seizoen begint zodra ze de grond uit komen.

Voor zaden gebruik ik biologische rassen. Velt heeft een goed overzicht van peulvruchten die in onze regio aanvaardbaar productief zijn. Eigen zaad bewaren werkt bij bonen heel goed, ze zijn zelfbestuivers en blijven vrij raszuiver.

Waarom peulvruchten

Het korte antwoord: stikstof. Peulvruchten vormen samen met wortelbacterien knolletjes waarin lucht-stikstof wordt vastgelegd in de bodem. Wat de plant zelf niet gebruikt blijft achter als organisch materiaal voor het gewas dat ernaast of erna komt. In mijn rotatie volgt na een vak tuinbonen altijd een vak bladkool of spinazie. Dat groeit dan zonder extra bemesting, wat me elk jaar opnieuw verbaast.

Een tweede reden is de oogstduur. Anders dan veel andere groenten geef je peulvruchten niet een keer en ben je dan klaar. Een rij snijbonen draagt drie maanden lang door, mits je regelmatig blijft plukken. Eenmaal versneden in de vriezer heb ik in de winter nog steeds eigen bonen op tafel. biojournaal.nl schreef vorig jaar een goed stuk over de rol van peulvruchten in een dieet met minder vlees, en dat sluit aan bij waar ik in mijn keuken naartoe groei.

Wat me tegenviel

Niet alles werkt elk jaar. Een paar dingen waar ik tegenaan ben gelopen:

  • Zwarte bonenluis op tuinbonen. Komt elke lente terug zodra de planten ongeveer een halve meter zijn. Een handje lieveheersbeestjes en wat bonenkruid ernaast verlaagt het, maar ik raak ze nooit helemaal kwijt. Sinds een paar jaar laat ik het redelijk gaan, de oogst is nog steeds bruikbaar.
  • Schimmel op erwtenbladeren. Vooral in een nat voorjaar. Plantafstand vergroten heeft hier meer geholpen dan welke ingreep ook.
  • Slakken op jonge plantjes. Een rij erwten die net boven de grond komt is bij ons goud voor de naaktslakken. Ik zaai inmiddels eerst voor in kweekpotjes en pas later uit, dan zijn ze al wat steviger.

Het jaar van 2024 was voor mij het slechtste peulvruchten-jaar in tijden, vooral omdat het in juni en juli zo nat was dat alles boven de grond schimmelig werd. Ik heb dat seizoen ongeveer een derde van mijn oogst verloren. Het rare is dat dat soort jaren me niet ontmoedigen, omdat het volgende seizoen vaak het tegenovergestelde laat zien.

Eigen zaad bewaren

Een aantal van mijn peulen laat ik elk jaar bewust aan de plant. Niet plukken, gewoon laten hangen tot ze bruin worden. Aan het eind van het seizoen pel ik ze open en de bonen die eruit komen bewaar ik droog in glazen potjes voor het volgende jaar. Dat werkt voor tuinbonen, snijbonen en sperziebonen prima. Erwten doe ik niet meer zelf, want ik wil graag een specifiek suiker-ras houden en dat is met eigen zaad lastiger.

Eigen zaad heeft een voordeel dat je pas merkt na een paar jaar: de planten worden langzaam beter aangepast aan jouw tuin. Welke individuen sneuvelden door schimmel komen niet meer terug in je zaadlijn. Wat overblijft is wat het bij jou redt.

Wat ze in de keuken doen

Tuinbonen eet ik vooral vers in juni, dan met wat citroen, olijfolie en pecorino. Snijbonen ga ik later op het seizoen invriezen, gestoomd en in stukken gesneden. Sperziebonen blancheer ik en vries ik plat in. Erwten gaan grotendeels rauw in salades en het restje pel ik en vries ik in. Wat overblijft van de zaden gaat in soep gedurende de winter, of als linzenvervanger in een stoofpot.

De cyclus van peulvruchten op het bord, leidt voor mij elk seizoen weer ergens vandaan en weer ergens naartoe. Wat ik in mei zaai eet ik in juli, wat ik in juli oogst zit in januari in een pot soep, en de bodem waar ze stonden voedt in augustus al weer de volgende sla. Het is een van de mooiste dingen aan moestuinieren, dat een vak nooit echt klaar is.

x Astrid

Voor meer informatie: Velt (peulvruchten in de biologische tuinbouw), biojournaal.nl (sectornieuws en achtergrond), Bionext.